> Weblog > 12 november 2009

Over mest en het Engels van Nederlanders

Righting English that’s gone Dutch behandelt typische taal- en stijlfouten van Nederlandse moedertaalsprekers in het Engels, met name van het soort dat optreedt als woorden of structuren klakkeloos worden omgezet. Denkt u in dit verband eens aan Latijnse woorden of vervoegingen: musea is gangbaar Nederlands, maar geen gangbaar Engels.  Of aan het gebruik van paragrafen en subparagrafen, waarvoor het Engels andere conventies hanteert.

Als een spreker of schrijver een dergelijke taalzonde begaat, wordt dit interferentie genoemd. Interferentiefouten van het Nederlands in het Engels worden al zo lang en breed onderzocht dat er een naam voor verzonnen is. Dit pseudo-Engels wordt Dunglish genoemd - een horkerige, onwelriekende samentrekking van English en Dutch met een knipoog naar dung (mest). De Nederlandse term, Nederengels, ligt gemakkelijker in de mond en is intuïtiever, vinden wij, maar hierbij moet aangetekend dat Nederengels ook gebruikt wordt om overbodig Engels in het Nederlands aan te duiden. Dunglish is in wezen het steenkolenengels van de gevorderde taalgebruiker.

(Ver)taalmankementen

We begrijpen dat het geen sinecure is om uit de vele interferenties een aantal hoofdpunten te kiezen en die over het voetlicht te brengen, vooral gezien het enorme aantal bestaande publicaties op dit gebied en zeker als je een breed lezerspubliek hoopt aan te spreken, zonder daarbij taaltechnische terminologie te hanteren.

Op zich is de selectie Dunglish in Righting English goed geslaagd, zij het wat mager. Dit is wellicht aan het bronmateriaal te wijten. De behandelde (ver)taalmankementen komen namelijk (bijna) uitsluitend uit de wetenschappelijke publicaties die de schrijfster decennialang gelezen heeft. Hierdoor is Righting English wat te eenzijdig voor een breed publiek geworden, en wat te mager voor de Engelse-taalgebruiker in wetenschappelijke kringen. Die laatste kan het boek hoogstens als leidraad gebruiken naast een cursus Publiceren in het Engels. De taalprofessional wordt er ondertussen niet veel wijzer van.

Er kleeft wellicht nog een nadeel aan de eenzijdige poel waaruit voor Righting English gevist is: er ontstaat gemakkelijk een vertekend beeld van het soort fouten dat Nederlanders in het Engels maken, hun gangbaarheid en de ernst van de fout. Zo wordt in hoofdstuk 7, met de voor velen cryptische titel ‘Time (and tijd) wait for nomen’ verteld dat decennium in het Engels decade is. Dat het Nederlandse decade o.a. ‘een tijdsbestek van 10 dagen’ betekent kan inderdaad voor problemen zorgen, maar het betreft dan wel specialistische taal en beslist geen gangbaar Nederlands woord. Overigens is Righting English wel in heldere taal geschreven, luchtig en leesbaar, en in de vloeiende stijl die het onderwerp past en die we van een Engelse taalprofessional mogen verwachten.

Two-finger gestures

Zoals de naam van het boek al belooft worden de onderwerpen van Righting English opgeleukt, ingeleid en inzichtelijk gemaakt door taalgrapjes in de titels van hoofdstukken en paragrafen. Dit mag geslaagd heten zolang we die lastige titel van hoofdstuk 7 negeren. Zo vinden we een hoofdstuk over nadruk: ‘Coping with stress’ en heet de paragraaf over aanhalingstekens ‘Two-finger gestures’ - wat bij sommige lezers Kees van Kooten in herinnering zal brengen met een sketch over taalvervuiling en de zogenaamd-functie van aanhalingstekens. Maar zoals elke rechtaarde Anglofiel ook weet, zijn zogenaamd-haakjes niet het enige teken dat met twee vingers in de lucht te maken valt…

Enfin, de index van het boek is redelijk intuïtief - op een term als frontal overload na - en ook voldoende uitgebreid voor het aantal onderwerpen. De taaltips zijn soms wat slapjes, maar vaak ook nuttig. Tot slot wordt de indruk gewekt dat ook over onderwerpen die eigenlijk niet in een enkele paragraaf kunnen samengevat toch iets gezegd moest. Dat is dan weer een beetje jammer.

Hollandse houterigheid

Eenmaal schiet de schrijfster uit de bocht als de spreekwoordelijke Hollandse houterigheid wordt opgevoerd. Ook dit is wellicht ten dele te danken aan haar schrijverspoel: wetenschappelijke publicaties zijn zelden de pennevruchten van taalbegaafden. Er wordt een lans gebroken voor een afwisselender gebruik van zinslengte. Hierbij wordt de suggestie gedaan langere zinnen te maken – iets wat publicerende wetenschappers op school juist met klem ontraden is. We willen niet tegenspreken dat er taalkundige aspecten aan onze taal kleven die hem houterig kunnen maken, maar of de Nederlander zijn stijl in het Engels kan verbeteren door langere zinnen te schrijven, is de vraag. Een klompendans verandert door een extra rondje over het podium ook niet in het Zwanenmeer.

Oordeel

Righting English is een aardig, zij het wat mager taalboekje, met doorgaans geestige titels en duidelijke onderwerpen, in een prettige stijl geschreven. De taalgek en intelligente leek met een diepe liefde voor het Engels pikt er wellicht nog wat uit op, maar voor de wetenschapper die worstelt met het Engels biedt het te weinig houvast, of het moet als cursusmateriaal dienen. Naar een Nederlandse variant (een behandeling van het Nederlands dat Britten bezigen, met bijbehorende, nauw verholen, geringschattende term) zien wij onderwijl reikhalzend uit.

Ping Cleton

Righting English that’s Gone Dutch
Joy Burrough-Boenisch
Tweede (herziene) druk, 2004
Kemper Conseil Publishing, Voorburg

Koen Gubbels

reacties