Nieuwsbrief juli 2008
De Onedin Line en onbetrouwbare native speakers
door Ping Cleton
Toen ik 25 jaar geleden met vertalen begon, was de taalbeheersing van het Engels in Nederland pover. De Onedin Line werd uitgesproken als Wandin Line, een sweater was een *swieter, Sean Connery heette Sien, een penalty was een *puhnaltie, en als ik mijn sigarettenboer om Rothmans vroeg, dan zei hij dat hij die niet had. “Doe dan maar *Roodmans”, zei ik dan.
Toen werd het hip om Nederlands met (pseudo-)Engels te larderen. Wilde je tevreden klanten dan liet je veel Engels staan. Met de voortschrijdende taalbeheersing kondigden zich andere problemen aan. De klant spreekt nu ook Engels en maakt niet altijd voldoende onderscheid tussen eigen kennis en die van de vertaler. Met een beetje pech ziet hij overal ‘fouten’ in je werk. Nu voel je wel aan welke ‘fouten’ dit betreft, maar dat brengt de oplossing van het probleem – de klant van de kwaliteit van je vertaling overtuigen – niet dichterbij, terwijl het de verleiding het soort Engels te gaan schrijven dat de klant goed vindt, wel vergroot…
De vals–alarm-fouten van de klant komen uit een aantal categorieën. Ten eerste de ‘valse vriendjes’: woorden of uitdrukkingen die in bron- en doeltaal bestaan, maar van betekenis verschillen. Ze zijn veelal ongevaarlijk zolang hun betekenisverschil groot genoeg is – had u ooit last van het feit dat het Engelse last een andere betekenis heeft dan het Nederlandse? Ooit problemen gehad met arts? Hun? Leek? Nóg linker zijn de valse vriendjes die net iets anders betekenen, zoals actual, dat geen actueel betekent, of consequent dat niet ‘logisch’ is. Een stapje verder heb je de uitdrukkingen die heel duidelijk dezelfde oorsprong hebben, maar die heel anders gebruikt worden. Zo kunt u in een wetenschappelijke context uw bevindingen vermelden met: We found that…maar dient u zich te realiseren dat dit niet de juiste vertaling van We vonden dat is.
Andere lastposten zijn uitdrukkingen waarvan je niet verwacht dat ze in bron- en doeltaal overeenkomstig gebruikt worden. Zo voelt u zich hopelijk in your element - een uitdrukking die aandoet alsof hij ‘onvertaald’ gelaten is. Dit is het moment waarop een klant denkt onraad te ruiken. En vals alarm slaat.
Vriendjes kunnen verschillen op stijlniveau. Het is populair om How goes it? te zeggen - in Amerikaanse series hoor je het vaak genoeg - maar neutraal Engels is het niet. Juist wanneer u een taal goed beheerst kan zo’n opmerking van uw kant onbedoeld cartoonesk werken, alsof een keurig heer u in het Nederlands met: alles kits achter de rits? begroet. Hoe gaat het? is hier dus niet de juiste vertaling.
Een aanpalende categorie van taalinterferenties en vertaalproblemen betreft het (pseudo-)Engels dat Nederlanders gebruiken, zoals last but not least. Ook hier hebben we weer te maken met een frequentie- en inzetbaarheids- of nuanceverschil. E.e.a. geldt ook voor shortlist, hot item en big business.
Een tekst is een compositie. Woorden hebben sterk uitwaaierende betekenisvelden, waarvan een deel overal en een ander deel alleen bij u in bed gebezigd wordt, of anderszins als jargon geldt. Deze velden zorgen voor associaties, en deze bepalen voor een groot deel, samen met ritme en toonhoogte, de uiteindelijke betekenis van wat beweerd wordt. Niet alleen het woord moet vertaald, maar ook het semantisch veld waarin het ligt ingebed.
Zo kunt u een klant willen beloven dat iets morgenochtend op zijn bureau ligt en vindt u het gemakzuchtig als de vertaler niet met on his desk of iets vergelijkbaars komt. Deed hij dat echter wel dan zou het Engels op dat punt veel bloemrijker worden dan de brontaal. Vergelijk het hiermee: als u met iemand in zee gaat gebruikt u een neutrale uitdrukking waarbij niemand visioenen van schepen krijgt of de filmmuziek van de Wandin Line hoort. De juiste vertaling moet ook hier vergelijkbaar neutraal zijn. Het is zaak niet alleen de kernbetekenis van woorden te leren, maar ook hun frequentie en de resonantie van hun betekenisveld. Op grond hiervan maakt de vertaler een keuze, die naar de klant toe niet altijd eenvoudig te verdedigen is.
Tot slot zijn er nog de taalmythes waarmee een klant komt schermen. Deze zijn misschien wel de taaiste. Een mens leert nu eenmaal iets sneller aan dan af. Het zijn overblijfsels van taallessen van vroeger of goedbedoelde tips van native speakers die op hun beurt hun leermeesters in ere houden. Zo werd ik er 20 jaar terug talloze malen op gewezen dat ik moest zeggen: I don’t know whom I should ask, terwijl dat toen al sterk verouderd taalgebruik was, en niemand dat deed. Mijn grootmoeder heeft in het Maleis leren vertalen: Aan wien behoren gindse olifanten?, en haar eerste Franse les, volgens dezelfde beproefde grammaticaal-vertaalmethode, betrof een conversatie met een aap, die als volgt begon: Aap, gij zijt zeer lelijk! Men wordt al pratende door de feiten achterhaald.
Taal verandert in rap tempo. Naamvallen en vervoegingen verdwijnen. De spelling wijzigt. Conventies worden teniet gedaan. De fouten van gisteren zijn de afspraken van vandaag. Ook wat u op school geleerd hebt, hoeft niet langer te kloppen. We schrijven geen hoofdletter meer na een dubbele punt en u mag best een brief met ‘Ik’ beginnen. Levende zinnen met levende mensen hebben nu de voorkeur boven plechtstatigheden en de lijdende vorm. In het Engels plaatst u een komma waar u hem nodig hebt en data schrijven wij er nu net als in het Nederlands, hoewel nog steeds geldt: schrijf nooit de naam van een maand of een dag met een kleine letter, want dat geldt als het toppunt van ongeletterdheid. Maar ook dit hoeft geen generatie meer te duren…
Een laatste goede raad: never trust a native speaker tenzij deze een taalopleiding heeft genoten of taalgek is. De gemiddelde taalgebruiker weet net zoveel van zijn taal als een automobilist van een explosiemotor. Als ik u vraag of het Nederlands naamvallen kent, zult u even moeten nadenken, terwijl u het heus uit het hoofd zult laten om ‘Ik geef dit jij’ te zeggen. En wist u eigenlijk wel hoe ingewikkeld de Engelse woordvolgorde is, deels doordat er op vervoegingen en naamvallen wordt bezuinigd?
Kortom, er is geen aanleiding om een native speaker meer te vertrouwen dan iemand die een taal later bestudeerd heeft en bijhoudt – in tegendeel. Want zeg nu zelf: als u Engelsman was en u wilde een document naar het Nederlands vertaald hebben, aan wie zou u het liever toevertrouwen? Aan een marktkoopman in Amsterdam-Noord, vijfde generatie native Nederlands of aan een Engelsman die als docent Nederlands werkzaam is?

