Ooit, lang geleden, moeten vertaalbureaus plekken geweest zijn waar talloze vertalers aan lange rijen bureaus vlijtig hun vertalingen uitbroedden. Ik gebruik bewust het woord ‘uitbroedden’ omdat ik voor mijn geestesoog rijen dames achter typemachines zie verschijnen. Zo ongeveer als op de volgende foto (let op het parmantige heertje dat de lakens uitdeelt):

Vertaalbureau in vroeger tijden
Tegenwoordig is er een heel nieuw type vertaalbureau opgekomen. Ik noem dit weleens ‘de handelsfirma’. Handelsfirma’s zijn bedrijven die handelen in vertalingen. Het aloude spel van laag inkopen en hoog verkopen. Dergelijke vertaalbureaus hebben doorgaans amper nog een band met hun product, ze zouden net zo goed plasmatelevisies kunnen verkopen, to put it bluntly.
Kun je zo’n bedrijf eigenlijk nog wel een vertaalbureau noemen? Vertaalcommissionair of vertaalmakelaar zou de lading misschien beter dekken. Geregeld bereiken mij geluiden uit de markt dat respectabele, gevestigde vertaalbureaus er steeds meer naar neigen om hun vertaalafdeling de deur uit te doen. Van een aantal grotere bureaus weet ik dat ze zelfs nooit een vertaler in dienst hebben gehad.
Hun argumenten voor zijn vooral van economische aard: een flinke vertaalbezetting betekent een flinke overhead. En als er nou iets is waar bedrijven een hekel aan hebben is het overhead. Zeker als je die vrij gemakkelijk kunt vermijden door louter te werken met freelancers. Leve het zzp-tijdperk!
Uiteraard zet ons vertaalbureau, The Language Lab, ook freelancers in, zeker als het gaat om talen of specialisaties die minder vaak voorkomen. In dat soort situaties danken wij onze geweldige freelancers op onze blote knieën. Maar om ons nou 100% afhankelijk te maken van het zzp-model…
Ik denk dat er iets verloren gaat met een dergelijke strategie, sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat er iets verloren gaat. Binnen The Language Lab werken wij al jaren met een afdeling vaste vertalers. Op dit moment telt die zes mensen, doorgewinterde vertalers Nederlands en Engels die hun sporen in het vertaalvak verdiend hebben. Zij vormen het vertaalkundige geweten van ons vertaalbureau. Zij houden onze regelaars en verkopers scherp door op de productkwaliteit te hameren, zeker als het om onze belangrijkste talen gaat: Nederlands en Engels.
Zonder hen zou ik inderdaad geneigd zijn onze naam op Multatuliaanse wijze te veranderen in The Language Lab, makelaars in vertalingen.
Hoewel ik al zestien jaar een vertaalbureau run, heb ik helemaal geen taal- of vertaalachtergrond. Ik heb me daar nooit bezwaard over gevoeld. In de praktijk heb ik geleerd dat een vakinhoudelijke achtergrond – in mijn geval Bedrijfskunde - je vaak een voorsprong geeft op vertalers met een (ver)taalbul op zak. Sterker, het is vaak het gemis aan vakinhoudelijke kennis dat veel vertalers opbreekt. Daarnaast zijn studenten van vertaalopleidingen doorgaans geïnfecteerd met een schoolse benadering die het letterlijk omzetten van een brontekst prefereert boven het smeden van een soepel lopende tekst. Velen van hen zijn jaren verder voordat ze het lef hebben om zich een tekst ‘eigen’ te maken. Juristen, economen, bedrijfskundigen en andere doctorandussen die zich tot het vertaalvak bekeren, zijn minder besmet met deze schoolsheid. Althans, dat is mijn gevoel.
Verder durf ik vraagtekens te zetten bij wat vertaalstudenten nou eigenlijk aan vertaalkilometers maken op hun opleiding. Ik heb dat wel eens zitten uitrekenen. Vervolgens ben ik nagegaan hoeveel uur ikzelf heb zitten zwoegen op Latijnse vertalingen op mijn middelbare school. Zes jaar lang vijf lesuren Latijn per week plus een uur of drie huiswerk. Uitgaand van een schooljaar van zo’n 40 weken kom je dan op 1920 uur vertalen.
Okay, het was niet puur vertalen dat je deed, er moesten ook woordjes geleerd worden, naamvallen, werkwoordstijden, etc. maar een groot deel van de tijd ging toch op aan het oplossen van lastige taalpuzzels. Schrijf- en spreekvaardigheid was er niet bij, alles ging één kant op, van het Latijn naar het Nederlands. Over het Grieks heb ik het dan nog niet eens. Mijn slotsom was dat gymnasiasten aan het eind van hun opleiding minstens zoveel, zo niet meer, hebben zitten vertalen als vertaalstudenten. Mijn algemene indruk ook is dat de gymnasiasten onder de academici een bovengemiddelde taalbeheersing hebben. Dat kan ook haast niet anders, ze hebben immers twee keer zoveel tijd aan taal besteed op school als elke andere scholier. Oefening baart kunst.
Ik ben dan ook best bezorgd als ik zie hoe er met het traditionele gymnasium gesold wordt. Door een toestroom van minder begaafde scholieren wier ouders een ouderwets-degelijke school voor hun kind zoeken staat het gymnasiale niveau onder druk. Men valt op de structuur en ‘witheid’ van het kleinschalige gymnasium en neemt daarbij de klassieke talen op de koop toe. Mijn kinderen die inmiddels in Gymnasium 2 zitten, hebben nog maar twee of drie uur Latijn per week. Het is onmogelijk dat je met die beperkte bagage op je eindexamen zelfstandig Livius kunt vertalen. Daarvoor moet je kilometers maken. Vertaalkilometers.
Nou gaat het mij helemaal niet om Livius en zelfs niet om het Latijn – het mag ook best Chinees zijn – maar ik vind het doodzonde dat zo’n taalgeörienteerd, oerdegelijk schooltype als het gymnasium steeds meer water bij de wijn doet. En daarmee hetzelfde pad opgaat als alle Nederlandse scholen en universiteiten vroeger of later opgaan: het steeds verder verlagen van de normen uit angst schoolgelden te missen en uiteindelijk af te zakken tot opgeleukte cursussen algemene ontwikkeling.
Als eigenaar van een vertaalbureau voorzie ik dat we in de toekomst wel eens een tekort kunnen gaan krijgen aan goede vertalers als de taalkundig onderlegde gymnasiast uitsterft.
Ik heb er in deze blog en andere plaatsen meermalen op gewezen dat Engels er soms verdraaid Nederlands uitziet. Als vertaalbureau lopen we daar dagelijks tegenaan. Aangezien het Nederlands en het Engels – als Germaanse talen – neefjes van elkaar zijn, is het onvermijdelijk dat er gelijkenissen in zinsbouw optreden bij vertalingen. Hij is in zijn element kun je zonder probleem vertalen met he is in his element. Iedere Engelsman herkent dat als een authentieke Engelse uitdrukking. Maar een Nederlander gaat twijfelen: dit klinkt wel erg letterlijk. Lees mijn recensie van het I always get my sin-boekje voor meer voorbeelden. Soms is het lastig om klanten ervan te overtuigen dat een letterlijke vertaling vaak de beste optie is.
Gisteren hadden we weer zo’n geval. Een klant wees ons op het feit dat fall under the guarantee echt geen goede vertaling kon zijn van valt onder de garantie. Volgens de klant hadden we een vertaalmachine gebruikt en was er geen mens aan te pas gekomen, laat staan een native speaker. Zie je hier maar eens tegen te verweren. Moet je op je strepen gaan staan, je beroepen op je opleiding als taalkundige, je ervaring? In een tijd waarin gezag aan bederf onderhevig is, is dat weinig aanlokkelijk. Gelukkig is er Google. Typt u in: “fall under the guarantee. Resultaat: 564.000 hits. Einde discussie. Of niet?
Soms voel je nog wat aarzeling bij zo’n klant. Zijn gemoed is niet geheel gerust gesteld. Dat zit zo. Gelijk is ongelijk, zoals elke bouwvakker je kan vertellen. Als je iets er goed uit wilt laten zien, dan kun je vaak beter het verschil benadrukken. Als twee elementen te dicht op elkaar zitten en maar iets verschillen geeft dat onrust. Zet ze verder uit elkaar zodat het onderscheid duidelijk is en er ontstaat rust. Hetzelfde geldt voor vertalingen. Vertaal hij is in zijn element bijvoorbeeld niet met he is in his element maar met he feels like a fish in the water. Kijk, dat is nou een vertaling. Woordjes vertalen met heel andere woordjes. Daar heeft iemand moeite voor gedaan. Dat je via een terugvertaling dan uitkomt op hij voelt zich als een vis in het water, dat is weer een andere kwestie. Soms moet om je gelijk te behalen ongelijker te werk gaan.
Righting English that’s gone Dutch behandelt typische taal- en stijlfouten van Nederlandse moedertaalsprekers in het Engels, met name van het soort dat optreedt als woorden of structuren klakkeloos worden omgezet. Denkt u in dit verband eens aan Latijnse woorden of vervoegingen: musea is gangbaar Nederlands, maar geen gangbaar Engels. Of aan het gebruik van paragrafen en subparagrafen, waarvoor het Engels andere conventies hanteert.
Als een spreker of schrijver een dergelijke taalzonde begaat, wordt dit interferentie genoemd. Interferentiefouten van het Nederlands in het Engels worden al zo lang en breed onderzocht dat er een naam voor verzonnen is. Dit pseudo-Engels wordt Dunglish genoemd – een horkerige, onwelriekende samentrekking van English en Dutch met een knipoog naar dung (mest). De Nederlandse term, Nederengels, ligt gemakkelijker in de mond en is intuïtiever, vinden wij, maar hierbij moet aangetekend dat Nederengels ook gebruikt wordt om overbodig Engels in het Nederlands aan te duiden. Dunglish is in wezen het steenkolenengels van de gevorderde taalgebruiker.
(more…)
Vertalen heeft af en toe iets weg van schoenen verkopen. Of van tapijthandel. Net als in die branches heeft immers in de vertaalbranche het fenomeen prijsstunter zijn intrede gedaan. De prijsstunts worden weliswaar niet in strekkende meter uitgedrukt maar in centen per woord, het principe is hetzelfde. En aangezien veel mensen vertalingen als een noodzakelijk kwaad zien (’het mot gewoon vertaald worden’) doen die prijsstunters vermoedelijk nog leuke zaken ook. Twee woorden voor de prijs van één. Die verhouding klopt vrij aardig. De gerenommeerde vertaalbureaus, waar wij ons natuurlijk graag bij rekenen, rekenen om en nabij de 20 cent per woord voor een vertaling. De prijsstunters gaan akelig dicht naar die 10 cent toe. Er zijn er zelfs die eronder zitten.
Kan dat zomaar?
Ja, dat kan zomaar. De vertaalmarkt is een vrije, ongereguleerde markt, zoals Neelie Smit-Kroes het graag ziet. Daarbij zijn de toetredingsdrempels ook nog eens heel laag – iedere halve zool met een laptop kan binnen een dag een vertaalbureau beginnen. Op zich prachtig voor de klant want de tarieven in de vertaalsector zijn al jaren scherp en stijgen eigenlijk amper.
(more…)
Vermoedelijk het meest verkochte taalboek van de laatste jaren is het boekje I always get my sin van ex-Heinekenman Maarten H. Rijkens. Er schijnen meer dan 300.000 exemplaren van verkocht te zijn. Chapeau. Het boekje – hoe zal ik het diplomatiek formuleren – blinkt echter niet uit door zijn fijnzinnigheid of geestrijke vondsten. Het is een nogal flauwe verzameling steenkolenengels die aan de praktijk is ontleend. In zijn lange carrière heeft de heer Rijkens naar eigen zeggen voortdurend paraat gestaan met pen en bloknoot om de leukste verbasteringen te verzamelen. Het zou dan vooral gaan om het Engels van Nederlandse hoogwaardigheidsbekleders.
Enkele ‘geestige’ observaties:
I fock horses
I fok paarden
We still have to suck one lid
We moeten nog een lid zoeken
You are on glad ice!
Je bent op glad ijs!
(more…)
Taal is de meest verfijnde vorm van gedrag die wij kennen. Bijna alles wat wij in het dagelijks leven doen – en dat geldt niet alleen voor medewerkers van een vertaalbureau – doen wij met behulp van taal. En iedereen die niet gehinderd wordt door een ernstige handicap leert zijn moerstaal spreken. Maar het wonderbaarlijkste is wel dat het verwerven van taal plaatsvindt met behulp van een instrument dat plastisch is, nl. het brein, dat zich vormt voor en door de kennis dat het vergaart. Zo leert een kind taal alsof het klokkijken leert met een horloge dat niet stil wil staan.
Het is prachtig dat iets zo oneindig verfijnds in deze ene vorm, de gesproken taal, binnen het handbereik ligt van vrijwel ieder mens. Je hoeft maar over heel weinig intelligentie te beschikken om te leren praten. Eén trede hoger op de ladder van intelligentie en taalbeheersing en je kunt al jokken. Het belang hiervan dient niet onderschat. Want ‘Everybody lies’, zoals House al zegt. Leugens zijn de smeerolie van het sociale contact. En liegen doen we vooral met taal. Midas Dekkers huldigt een vergelijkbaar standpunt als hij stelt dat wanneer je iets wilt weten over de motieven van mensen, je moet beginnen met het geluid uit te zetten.
(more…)
Talen verhouden zich ongemakkelijk tot getallen. Dat wist u al van de Middelbare School. Kon je zomaar een 2,9 voor je Latijn krijgen of een 5,3 voor je Frans. Als je als docent natuur- of wiskunde met de pen langs een oplossing liep, en je geeft er een 6 voor, of vooruit een 7, dan accepteert de leerling dit doorgaans. Maar naast de tafel van de taaldocent staat van oudsher een stoet gemankeerde en berekenende leerlingen die over het SO-cijfer in discussie willen. Niet een 5,3 maar een 5,7 is volgens de leerling de juiste waardering van hun SO met vijf misplaatste diakritsche tekens, twee fonetische fouten en een grammaticafout, en de juf die kan niet rekenen.
Blijkbaar ontgaat het hele volksstammen dat de bètavakken zonder morren de docent de macht geven (en terecht!) om oplossingen voor opgaven naar eigen inzien te waarderen, terwijl de taaljuf tientallen vertalingen met kwart en halve punten moet scoren.
Taal en cijfers. Het wordt nooit wat.
Ping Cleton
Toen ik kind was, was mijn kennis van de Engelse taal uniek. Een 8-jarige in Krimpen aan de IJssel sprak door de bank genomen geen Engels. Aangezien er verder niets opmerkelijks aan mij was, koesterde ik mijn relatie met het Engels als een vrek zijn schat. Ik had er een hele kluif aan om valsspelers te ontmaskeren – rotkinderen met een unfaire voorsprong van wie één van de ouders Engels was bijvoorbeeld, of die in Engeland waren opgegroeid. Ik hing rond in hun schaduw, met oren op steeltjes en een rammelende honger, wachtend, altijd wachtend op een iets kostbaars dat zo maar uit hun mond kon vallen…
Brooddronken van succes kon ik zijn wanneer mijn vader met een Engelstalige zakenrelatie thuiskwam of als het gezin een bezoek aan Londen aflegde. Dan regende het complimenten en streelde men mij met kooswoordjes als dear en love. Zelfs mijn doodgewone blonde polder-verschijning kreeg op den duur iets van een rarity value, en van love werd ik soms zelfs lovely…
(more…)
Walk the World 2008
Afgelopen zondag 1 juni werd in Rotterdam een sponsorloop gehouden voor het World Food Programme van de Verenigde Naties. Walk the World 2008 wordt georganiseerd door TNT, Unilever en DSM. Ook Vertaalbureau The Language Lab droeg zijn steentje bij in de vorm van de Engelse versie van de website.